Gevolgen AOW naar 67 jaar voor inkomensverzekeringen
Er is een akkoord over de AOW gesloten. Volgens het akkoord gaat de pensioenleeftijd in 2020 naar 66 jaar en in 2025 naar 67 jaar. Mensen die vroeg begonnen zijn met werken, worden ontzien.
Gevolgen AOW naar 67 jaar voor inkomensverzekeringen
Er is een akkoord over de AOW gesloten. Volgens het akkoord gaat de pensioenleeftijd in 2020 naar 66 jaar en in 2025 naar 67 jaar. Mensen die vroeg begonnen zijn met werken, worden ontzien.
Als de AOW-leeftijd in 2020 op 66 jaar is gezet, kunnen mensen die de laatste vijftien jaren gewerkt hebben toch op hun 65e met pensioen. Het aantal benodigde dienstjaren loopt op tot 42 gewerkte jaren in 2047. Verder moeten werkgevers hun personeel met zwaar werk na dertig jaar ander werk aanbieden. Doen ze dat niet, dan betalen ze een boete waarmee het voor de werknemer mogelijk moet worden vanaf 65 met pensioen te gaan.
Grote gevolgen voor administratie van inkomensverzekeringen!
Deze aanpassingen hebben gevolgen voor alle sociale en private verzekeringen, die geregeld zijn als voorloper op de AOW. In veel gevallen zal het betekenen dat de verzekeraars uit zullen moeten gaan van registratie en verzekeringsvormen op deelnemersniveau, met variabele eindleeftijden. En niet zoals nu het geval is op loonsom-/werkgeversniveau.
Wij hebben het gevoel dat aan deze consequenties geen aandacht is besteed. De aandacht gaat uit naar de gevolgen voor AOW (= pensioen). Maar de administratieve gevolgen voor de inkomensverzekeringen zijn groot!
De ziekengeldverzekering.
Verzekerd is de loondoorbetalingsplicht tot 65 jaar. Een enkele verzekeraar heeft dit al verlengd tot 67 jaar of 70 jaar. In de nieuwe situatie zal moeten worden uitgegaan van een verzekering waarbij voor de ene werknemer de loondoorbetalingsplicht verzekerd is tot 65 jaar, voor sommigen tot 66 jaar en voor anderen (de jongeren) weer tot 67 jaar.
De WIA-verzekeringen
Ook voor deze verzekeringen geldt dat er sprake zal moeten zijn van registratie op leeftijd en verschillende eindleeftijden. Maar dat is niet voldoende; als er werknemers met een zwaar beroep bij zitten, dan geldt daarvoor weer een afwijking. Om nog maar te zwijgen van een mutatie van een zwaar beroep naar een niet-zwaar beroep.
Werknemers die inmiddels een uitkering ontvangen van de verzekeraar hebben pech: deze uitkering is gebaseerd op eindleeftijd 65 jaar. Wie de extra premielasten gaan betalen om dit op te hogen naar 67 jaar is onbekend.
Dienstjaren/arbeidsverleden
Er zal worden gekeken naar het arbeidsverleden. In dat geval hebben werknemers die een tijd als ondernemer hebben gewerkt ook pech. Want dit zijn geen dienstjaren in de zin van de sociale zekerheid en tellen niet mee. Voor hen geldt dus –voor een juiste analyse richting pensioen of WIA- de noodzaak van een exacte opgave van het aantal arbeidsjaren.
Zwaar werk
De laatste lastige hobbel is de definitie van ‘zwaar werk’. Hier zullen regelingen voor komen, maar dit blijft lastig. Want wat nu zwaar werk is, zal over 30 jaar wellicht heel anders geïnterpreteerd worden. Om een voorbeeld te geven: voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering is een agrariër nu ingedeeld in beroepsklasse 3 met eindleeftijd 65 jaar. Dat was onlangs nog beroepsklasse 4 met een beperkte eindleeftijd. Blijkbaar heeft er een (in schadelast) zichtbare verlichting van het beroep plaatsgevonden. Maar wanneer exact? En voor de werknemersverzekeringen: tot welke mutaties op deelnemersniveau zal dit leiden? Want de beroepsinhoud wijzigt wel eens, maar ook zal de werknemer wel eens van beroep wijzigingen.
